Description

Een studie naar zes analoge steden

  • Program
    Wonen, werken, recreëren, mobiliteit, openbare ruimte
  • Client
    Eigen initiatief
  • Team
    Theo Hauben
    Jeroen de Willigen (DeZwarteHond)
  • In samwerking met
    De Zwarte Hond, Bureau Lofvers, PH Urbanism en Rotterdams Academie van Bouwkunst
  • Lokatie
    Rotterdam
  • Date
    2013-03-01
  • Editors
    Theo Hauben, Jeroen de Willigen
  • Author(s)
    Theo Hauben, Peter van der Helm, Willemijn Lofvers, Jeroen de Willigen
  • Website

De ambities en opgaven die Rotterdam zichzelf heeft gesteld zijn onderwerp van studie. Die ambities en die ruimtelijke problemen en kansen zijn niet uniek. Ook andere steden worden geconfronteerd met dezelfde opgaven. De Rotterdamse binnenstad wordt daarom op onderdelen vergeleken met vijf centra van overeenkomstige ‘tweede’ steden. Met het bestuderen en optekenen van de ruimtelijke en programmatische opzet en ontwikkeling van deze steden wordt kennis gegenereerd voor de Rotterdamse binnenstad.

ROTTERDAM
Rotterdam wil haar binnenstad versterken met een aantrekkelijk publiek domein, een divers pakket aan voorzieningen en de bouw van duizenden nieuwe woningen. Daarvoor is een binnenstedelijke kwaliteit nodig, zowel in het publieke domein als in het aanbod van culturele, commerciële en maatschappelijke voorzieningen als binnenstedelijke woningtypologieën, zowel in diversiteit als in kwaliteit. Er zijn juist binnenstadsbewoners nodig om de gewenste binnenstadskwaliteit te kunnen realiseren. Maar wie of wat komt eerst? Deze vicieuze cirkel zal stap voor stap doorbroken moeten worden. De vraag is dan: hoe? Welke strategie leidt tot de gewenste en noodzakelijke verdichting, maar ook wat voor een binnenstadskwaliteit hoort daarbij? Wat is de nieuwe ruimtelijke en functionele kwaliteit van deze binnenstad, waarom zal men daar naartoe willen en hoe bereiken we die?

Door de zes steden met elkaar op ruimtelijke en programmatische ontwikkeling te vergelijken proberen we erachter te komen hoe andere steden hiermee omgaan en met welk resultaat.

Rotterdam spreekt in haar laatste binnenstadsplan 2008-2020, Binnenstad als Citylounge, de ambitie uit om een complete, diverse, maar vooral ook dynamische binnenstad te realiseren. Deze ambitie is op fundamenteel andere onderliggende principes gebaseerd dan het plan dat de basis vormt van de huidige binnenstad, het basisplan van Van Traa uit 1946. Basiselementen waren de verplaatsing naar het hart van het centrum rond de Coolsingel, scheiding van functies, ruimte voor verkeer en het weren van woonfuncties. De huidige verdichtingsoperatie door middel van grote hoogbouwprojecten in de binnenstad is niet meer van deze tijd. Enerzijds omdat zij gebaseerd is op ‘oude ontwikkelprincipes’, anderzijds omdat deze grote projecten door de huidige economische situatie nauwelijks voortgang en ontwikkeling kennen. Daarbij heeft de grote schaal van ontwikkelingen in de afgelopen decennia niet de gewenste binnenstedelijke kwaliteit opgeleverd. De verdichting heeft in het laatste decennium vooral geleid tot schaalvergroting en verarming van de functionele diversiteit.

Larry Beasley stelt dat het toevoegen van 50.000 woningen aan de Rotterdamse binnenstad pas zal leiden tot een interessant binnenstadsklimaat. Dat kan niet binnen de huidige condities. De vraag is dan ook hoe de verdichting van de binnenstad middels een fundamentele toevoeging van woningen aangepakt moet worden. We zullen daarom een andere aanpak moeten vinden om deze opgave voor de binnenstad te kunnen realiseren.

HYPOTHESE ROTTERDAM
We zijn voor dit onderzoek uitgegaan van de volgende aanname: het intensiveren van bestaande plots en het verbeteren van de openbare ruimte is niet voldoende om aan gewenste ambities te kunnen voldoen. Er zal een nieuwe bindende laag aan de binnenstad moeten worden toegevoegd. Een laag die in de toekomst een andere korrel, een verfijning van het netwerk, een grotere diversiteit in programma, ontwikkeling, eigendom en eigenaarschap zal toevoegen. Om haar tot wasdom te laten komen moeten bestaande en nieuwe condities worden onderzocht. Op basis van deze condities kan een alternatieve verdichtingsstrategie ontwikkeld worden om tot een complete, diverse, dynamische binnenstad te komen.

SPIEGEL ROTTERDAM
Spiegel Rotterdam richt zich op zes vergelijkbare steden die een grote ruimtelijke of programmatische transformatie hebben ondergaan na de Tweede Wereldoorlog. De schaal van verandering en de rigoureuze aanpak hebben in de afgelopen decennia niet geleid tot een gewenste binnenstedelijke kwaliteit. De verwachting is dat een vorm van participatieve ontwikkeling, open stedenbouw, in de toekomst die kwaliteit wel kan leveren. Door ruimtelijke opzet, ambities en programmatische ontwikkelingen met elkaar te vergelijken wordt inzicht verkregen in de manier waarop andere steden problemen tackelen, ontwikkelingen mogelijk maken en ambities omzetten in langlopende strategieën.

Het onderzoek is gericht op het ontwikkelen van een bijpassend instrumentarium om tot een kwalitatief betere binnenstad te komen. Uiteindelijk zouden de inzichten moeten worden getoetst en moeten leiden tot het entameren van een nieuwe verdichtingsstrategie voor binnensteden in het algemeen, maar voor Rotterdam in het bijzonder.

Opzet
In hoofdstuk 1 ‘Stand stedenbouw’ wordt de aanleiding tot dit onderzoek uiteengezet. De (on)mogelijkheden voor stedelijke transformatie als aanleiding voor Project Rotterdam worden behandeld. Startpunt van het onderzoek is de Stedenbouw, vak of vacuüm. Nulmeting Rotterdam uit 2009. Hierin wordt de actuele stand van de stedenbouw voor de Rotterdamse binnenstad beschreven. Daarnaast vormen de kritische uitspraken van de genodigde buitenlandse experts op het gebied van stedenbouw en publieke ruimte een belangrijke onderlegger voor dit onderzoek.

In hoofdstuk 2 worden de zes steden geïntroduceerd. In dit hoofdstuk worden de kerndata en morfologie uitgelegd en worden de beleidsplannen van de verschillende steden tegen het licht gehouden.

In het derde hoofdstuk ‘Vier typen stad’ worden de steden thematisch met elkaar vergeleken. Het wonen, werken, de vrijetijdsbesteding en de ontsluiting van de zes steden worden gerelateerd aan de ruimtelijke opzet en zijn verbeeld in een reeks van kaarten.

In hoofdstuk 4, ‘Spiegelen’, worden een aantal cruciale items benoemd waarmee genoemde ambities ruimtelijk gestalte krijgen. En wordt er gereflecteerd op ontwikkelingen. Natuurlijk is niet één stad hét voorbeeld. Elke stad heeft immers elementen die in meer of mindere mate interessant kunnen zijn voor Rotterdam en vice versa.

In het afsluitende hoofdstuk ‘Perspectief’ zijn conclusies getrokken die relevant zijn voor de geambieerde ontwikkeling en verdichting van de Rotterdamse binnenstad.

Zie publicatie voor meer informatie.