2011-08-14Geef ons een vleugje België

Geef ons een vleugje België

Ruimtelijke ordening behoeft een nieuw stedenbouwkundig instrumentarium.

Minister Schultz kondigde aan 26 van de 39 regelingen op het gebied van ruimtelijke ordening te gaan schrappen. ‘Pas op!’ was een veelgehoorde reactie. Nederland is veel te klein en veel te vol om te kunnen bouwen zonder regelingen en voorschriften. Als het Rijk die loslaat, dan komen de ‘Belgische toestanden’! Ik zeg: ‘Fantastisch, meer België!’ Ik ben voor decentralisatie. Hoe gelukkig moeten we in Nederland zijn met onze uniforme wijken? Worden we er beter van als heel Nederland is volgebouwd met een volgende generatie Vinexwijken? In die zin heeft de minister gelijk als ze zegt dat het wel een onsje minder kan met de regels. Het standpunt van de minister was te begrijpen als ze heldere denkbeelden had over hoe de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland samen hand in hand kunnen gaan.

Alleen, de keuze van de minister lijkt niet gebaseerd op een visie op ruimtelijke ordening. Het is een pragmatische regeling, een platte bezuiniging en ze gooit de verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ordening over de schutting bij de lagere overheden. Het Rijk heeft eerst ‘RO’ uit de titel van het ministerie geschrapt en de verantwoordelijkheid voor het beleid vervolgens versnipperd over meerdere ministeries. Het overleg over de ruimtelijke ordening van Nederland vindt nu plaats in de kantine en de bezemkast van respectievelijk het ministerie van Infrastructuur & Milieu en het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Decentralisatie zoals de minister voorstelt is een schijnoplossing. Ruimtelijke ordening is bij de lagere overheden allang geen expertise meer. Stedenbouwkundige diensten bij gemeenten zijn inmiddels uitgekleed tot op het bot en gereduceerd tot een faciliterend orgaan. Managers zonder inhoudelijke kennis en communicatiemedewerkers sturen de gemiddelde stedenbouwkundige dienst aan. Vakinhoudelijke mensen hebben de diensten verlaten en van de oudere generatie met kennis is de helft al met pensioen. In kleinere gemeenten is de stedenbouwkundige expertise langzamerhand bijna helemaal verdwenen.

Niemand durft keuzes te maken en verantwoordelijkheid te nemen. Het kortetermijnresultaat is het enige wat telt, en het oude financieringsmodel — gebaseerd op grondverkoop — prefereert. Dit schrijft men ook nog op in zogenaamde Stadsvisies die uitblinken in algemeenheden en uniformiteit. Elke stad wil een campus voor kenniseconomie en een creatief cluster. Het meest schrijnende is de uitgifte van grond door de gemeentes voor bedrijventerreinen aan de rand van de stad, terwijl elders in de stad gebouwen leegstaan.

Toch heeft decentralisatie wél kans van slagen. Alleen dient dan wel de verhouding en de communicatie tussen de verschillende betrokken partijen te veranderen. Daarvoor is het noodzakelijk een nieuw stedenbouwkundig instrumentarium toe te passen. Wij moeten dan af van het denken in één wenkend perspectief voor een plek, gebied of regio waaraan proces en financiële afspraken zijn gekoppeld. Het is niet realistisch om te denken in eindbeelden met een looptijd van 10, 20 of soms wel 40 jaar. In de loop van zoveel jaar veranderen de denkbeelden over een gebied of gebouw, verandert de vraag naar woningen en veranderen de financieringsconstructies. Nieuwe stedenbouw vraagt een proactieve maar tegelijk bescheiden en transparante houding van beleggers, ontwikkelaars, stedenbouwkundigen en architecten.

Ruimtelijke kwaliteit is een kwestie van lange adem en van de juiste schaal. Om die kwaliteit te garanderen is een nieuw model voor stedenbouw nodig, ‘open stedenbouw’. In toekomstige plannen en projecten dienen de programmatische afspraken en financiële randvoorwaarden met gedegen kennis en onderzoek te worden onderbouwd. De overheid hoeft niet alles uit te kristalliseren wat mag en niet mag in een gebied. Ruimtelijke opgaven formuleren kan door bestaande en nieuwe gebruikers, particulieren en commerciële partijen in een gebied zelf worden bedacht in een gezamenlijk proces. In de nieuwe stedenbouw wordt weer gestuurd op het verbeteren van de leefomgeving in plaats van op het leveren van alleen architectonische hoogstandjes.

Van het Rijk verwachten we visie over nationale stedenbouw, inclusief de regelingen en verordeningen die daarbij horen. Geen regels om de regels, maar wel heldere richtlijnen die de langetermijnontwikkeling bewaken. Geen onderscheid tussen Randstad en de rest van het land. En een integrale kijk op de krimp en groei gebieden in Nederland. Als men iets over de schutting gooit moet men ook zorg dragen dat bij de provincies en stedelijke regio’s organisaties staan die dit kunnen oppakken. Het Rijk dient de kwaliteit van de opleidingen op het gebied van ruimtelijke ordening en stedenbouw op peil houden, zodat opgedane kennis van de laatste eeuwen niet verloren gaat.
Op deze manier komt ruimtelijke ordening weer uit de kast heeft de minister haar gewenste decentralisatie, maar blijft de kwaliteit behouden. Dan levert het geen wanorde of chaos in de stedenbouw, maar krijgen we precies dat vleugje België in Nederland dat we maar al te goed kunnen gebruiken.

- Tekst is gepubliceerd in het Financieel Dagblad van 18 augustus 2011.
- Tekst in samenwerking met Jeroen de Willigen (De Zwarte Hond).
- Beeld Frank Hanswijk.